Het kookplaatje geeft geen sjoege, ik vrees dat de lieve actie om ons appartement twee uur extra van stroom te voorzien van mijn vriend bij de balie mislukt is. Als ik naar benden ga legt hij uit dat het systeem alleen overruled kan worden als je nog een nacht bijboekt, dat is misschien wat gortig voor het lunch bordje pasta waar ik zin in had. De blokjes gebakken aubergine met ui en knof die ik gisteren apart hield om vandaag in de tomatensaus te doen kunnen ook wel op een broodje. Fijngehakte rozemarijn erover, plakjes tomaat, wat flinters oude manchego: prima diner broodje. Dan gaan we nu maar uit eten. We laden onze koffers in de auto en rijden een rondje om het dorpsplein, dan pas bedenk ik dat het belachelijk is om daar te eten terwijl de Atlantische letterlijk aan onze voeten licht. Aan het strand kiezen we het terras met het beste baaizicht. Op de bar staan de tortillas klaar, ook een paar tapas en een schaal krabben. Ik vraag hoe het werkt, aanwijzen, een kaart? Ik krijg twee kaarten ‘Sorry, ik heb alleen Spaanse kaarten. Zal dat lukken?’ vraagt hij met een licht bezorgde blik. ‘Jawel, jawel. Als het over eten gaat begrijp ik u wel’. Hij vind het een fantastische grap. Er staan twee salades op die veilig lijken, maar als frutos ook nootjes en pitten kan betekenen, dan zoudenhet ook zeefrutos kunnen zijn. ‘Nee, al onze salades zijn zonder vlees en vis’. Mirakel.

B wijst me nog heel enthousiast een groente gerecht aan, jammer dat er merluza in de opsomming staat, hij komt nog twee dingen tegen, maar nee, er staat in een geval yorkham, tonijn én chorizo midden in het gerecht vegetal. Net als de paprika met ansjovis is.

Salade en patatas bravas (die had ik écht nog niet gehad, klopt ook; bravas-saus is van de kust aan de andere kant van het land) maken samen ook een soort diner.

De sla bestaat, zoals meestal (en geheelbegrijpelijk met gemiddelde tempraturen waarbij kropsla al verlept is voor de ober bij de tafel komt) uit grof gesneden ijsberg, plakken tomaat, heel fijne blokjes appel, gedroogde abrikoos, jonge kaas, pompoenpitten en ongebakken cashew met daarover strepen ‘salsa special’. Een lichtgroene (ik wil niet zeggen chemisch, met pistache kún je ook rare groene saus maken) saus, de dikte van lopende mayonaise, smakend naar, naar, munt? Misschien? Iets lichtgroens dat ik niet ken. Enfin, met de bijgeleverde plasticzakjes olie en azijn (is dat nou echt door het warenwet beleid dat je aangebroken producten, dus flesjes olie enzo weg moet gooien? En al dat plastic dan? Los daarvan is het echt geen doen om zo’n half leeggeschonken zakje tegen je bord te laten leunen zonder dat alle olie toch op tafel druipt) is het best op smaak te maken. De schaal bravas is genoeg voor 2 à 3 personen., de avondbroodjes die in de schaduw naast de auto staan zijn misschien wel overbodig.

Al met al:

Ook aan dit stukje Spaanse kust zijn de menukaarten gelardeerd met alles waar veganeusjes niet zo dol op zijn. Al loop ik me de blaren op de voeten, ik mag van groot geluk spreken als ik drie dingen vind die voor mijn soort mens als eten tellen. Ook in Bilbao en andere pinxtos bakkermaten,

Misschien mis ik iets omdat ik categorisch weiger me door tripadvisor en instragram te laten leiden –al was het maar vanwege de rolkoffers die in mijn Amsterdamse straat uit de taxi stappen om uren in de rij te gaan staan voor een instagramable broodje.

In Bilbao was een bar waar ze wel vier vegetarische gerechten hadden en een allergenen kaart die me in een Amsterdamse snackbar al een keer verbaasd had. Misschien kennen alle stadse mensen dat, maar voor mij als boertje was het nogal bizar om een kaart/snackbar lichtbord te zien met zeker 8 symbooltjes en kleuren zodat ook iemand die allergisch is voor de teennagels van een inktvis en om religieuze redenen geen in hazelnootolie gefermenteerde berkenbast wil eten in een overzichtelijke, volkomen gedelibereerde oogopslag kan zien wat hij/zij/lhbtv niet kan bestellen. Hé, het hoeft niet hè, je kunt ook gewoon thuis wat granen gaan weken en naar jupiter bidden. Ik klaag ook niet als ik me in Spanje langs bergen ham moet worst-elen om bij een plakje tomaat te komen

Wat me opvalt, en wat ik me afvraag:

Een heleboel tapas, pichos &zo staan klaar en worden bij bestelling opgewarmd. Hoe deden ze dat voor de magnetron? Kwam er dan eens in de zoveel tijd een schaal uit de oven en had je mazzel als je dan net binnenkwam? 

Waar in onze profi keukens toch vooral mannen staan zie je in Spanje (en Italië) voornamelijk vrouwen in de keuken. Die hebben toch een net zo sterk gestel als Westerse vrouwen en krijgen ook kinderen. Dus waar komt dat verschil vandaan?

Waarom staat er nergens peper op tafel? Zout heel soms, peper zag ik echt nergens. Het is in elk geval niet omdat ze alles zo hoog op smaak serveren, zelfs de Spaanse pepers zijn in de meeste gerechten niet te vinden.

Wat hebben Spanjaarden tegen een beetje verse kruiden?

Dat ze ongegeneerd Magnums en ander voorverpakt ijs als dessert serveren, zelfs in betere restaurants zag ik ze liggen in de vriezer met glazen deur.

Dat moet ik toch nog maar een keer gaan navragen bij ene paar Spaanse koks.

Dat weet natuurlijk iedereen allang, maar  ik ontdekte vandaag dat ‘ochtend’ mañana heet. Dat verklaart een hoop. Niet alles dat mañana gebeurt is pas morgen. Dit alles omdat ik iemand vroeg of de bakker open was. De bakker is stokoud net als zijn vrouw, de winkel heet la postitiva.

“Thuis’ geluncht met gebakken kikkererwten, aubergine, ruim ui, knof en kruiden. Daarna heel lang op het strand gezeten, voor het eerst eigenlijk. Meestal zijn we na een half uur eigenlijk al klaar en houdne het dan voor de vorm een uur of zo vol. Nu tot de zon achter de bergen verdween, ik moet er immers nog de hele winter mee doen. Morgen keren we huiswaarts. Of in elk geval Frankrijk waarts, of dat huis heet weet ik niet meer zo goed.

Lourdes heeft op een of ander manier opgevangen dat ik iets met kookboeken doe en vraagt me of ik daar veel groenten in gebruik. Ze gaat glimmen als ik vertel dat ze over groenten gaan, zij eet eigenlijk bijna geheel vegetarisch, haar oudste dochter ook en de jongste eet echt alleen maar groenten. Alleen Freddy is een vleeseter. Omdat we vandaag van het ene appartement naar het andere verhuizen hebben we geen keuken voor de lunch, je moet immers op tijd uitchecken en mag niet te vroeg inchecken. Ik vraag aan de groenteliefhebster of ze iets kan aanraden, ze kijkt me vragend aan. ‘ Nou ja, omdat jij ook graag groenten eet weet je misschien iets in de buurt waar je terecht kunt voor iets anders dan ham.’ A si, la Ria. Dat is heel goed, allemaal heerlijke hapjes –geen tapas hoor, tapas krijg je cadeau bij je drankje, pinchos moet je betalen– (hm, soms krijg je inderdaad nog een klein hapje geserveerd bij je drank, meestal een plakje stokbrood met ham of chorizo) maar de tapas die op de bar staan moet je doorgaans toch echt wel afrekenen, ik laat het zitten), heel veel keus en heeeel goedkoop, 1 euro of 1,50, dat is het’. Een tip van een local wordt door alle reisadviseurs al groot goed beschouwd, dus.

We vinden het café aan een uiterwaard van de rivier, net voor hij zich in zee laat lopen heeft hij een soort uitgestrekt moerasland achtergelaten met her en der een ondiep poeltje waar ik zonder al te veel fantasie een krokodil in zie zonnen.

Op de bar staan de tortilas klaar, ook een paar pinchos: plakje brood met -ingelegde zure vis met groene paprika, -een mossel met saus, -ham, -ham met paprika, -ham met kaas, -chorizo. Een hamburgesia (waarom we die toch overal tegenkomen, ja oké en olé het is brood met vlees, een heel Spaanse combinatie) maar dan gehalveerd wat ik op zich een verbetering vindt. Een grote schaal met ik schat zo’n 4 kilo olijven, en Het Aquarium. Ik zie het wel vaker staan, meestal een whiskyglas-achtige maat glas waarin olijven gespietst staan, je zou de stokjes zo in een Martini zetten ware het niet dat er ook gerolde zure ansjovis tussen zit. Hier heeft het glas het formaat van een beschaafde afwasteil. Duidelijk, de koude dingen zijn dus niet echt voor mij. Er hangt ook een kaart aan de muur, inderdaad heel goedkoop, een combinatie wijn/hapje vanaf 2,20 tot 2,90 als je heel malle wijn wil. Bij de warme gerechten vind ik, best wel volgens verwachting, aardappelen: patatas met aioli, of patatas kaas. Ik kan me daar niets bij voorstelen en het is bovendien het enige zonder dier, dat wordt dus mijn bestelling. ‘De keuken is dicht vandaag, we hebben alleen wat je ziet of een bocadillo’ (ook met ham, dat spreekt voor zich). Op weg naar la Ria sloegen we een veel charmanter terras over omdat we een missie hadden. Daar gaan we nu toch heen. Ik ontdek in elk geval tostato met geitenkaas en marmelade van tomaat en zie ook een patata variant op de kaart dus het kan. Bovendien staat er op een bord dat ze ansjovis uit de Cantabrische zee gesmoord in boter hebben (het lijkt mijbijna lekker, zolang iets in mantequillaa is klinkt het onweerstaanbaar) dus dan kan B de vis eten waar ze hier zo trots op zijn zonder er een hele keuken voor vies te maken. Als hij ze bestelt serveren ze alleen een menu vanmiddag. Waarom dat bordje er dan staat is een vraag zonder zin. Het menu wordt opgerateld, ik grijp het woord menestra uit de lucht. Dat klinkt naar meslclun/mixta/ melangée ofwel gemengd. Maar er zit ook een minestrone smaakje aan met alle varkenspoten van dien. ‘Nee, het gerecht bestaat geheel uit groenten. Wat wil je dan als hoofdgerecht?’ Eh, de tostato met tomaten, misschien kan het andersom, de groenten als hoofd?’ Bàlle. B krijgt een diep soepbord, een grote schaal met bisqueachtige bouillon en een opscheplepel. De soep met schelpjes en minder mooie stukjes, maar prima, vis kan naar believen opgeschept worden, de bouillon is zo zaligmakend dat hij bijna de halve kom oplepelt. En hij had vandaag even geen zin in vis. En hij houdt niet van soep.

Ik krijg tegelijkertijd een bord vol groenten, de aanblik brengt me terug naar de keuken van mijn overgrootmoeder. Het rook er altijd een beetje wee, naar groenten waar alle kleur en leven uitgekookt was. Op mijn bord nu grote blokken aardappel (wel een lekkere), ongeveer 4 snijbonen in schuine stukken, een paar bospeentjes in plakken, een hand witte bonen; een bord vol dat een half uur geleden nog wel kleur had en niet zou misstaan in een jaren 60 kookboek. De groenten zijn gegaard in heel lichte bouillon met een flinke scheut olie, als ze een veel kortere kooktijd hadden gehad en er wat peper en zout op tafel zou staan was het een lekker maaltje geweest. Ik eet het toch maar op, het ís groente.

Terwijl B zijn kippenpoten, gebakken aardappelen en sla krijgt, komt mijn tostata. De geitenkaas is de soort die van de rol gesneden wordt, op elke helft 2 dunne plakjes op tomatenmarmelada waarvan ik nieuwsgierig was of hij hartig of zoet zou zijn. Zoet. Dat kan op zich prima bij geit, maar na een half broodje begin ik toch genoeg van de ontbijtsmaak te krijgen. Ik schraap zoveel van het brood dat er een dun laagje overblijft, ook hier zou peper wonderen kunnen doen, een paar druppels azijn of citroensap. Ik leg de kaas weer op zijn plek zodat ze mevrouw niet ziet wat voor zootje ik ervan maak.

We checken in bij een appartementencomplex waar het aan de glijbanen en het zwembad te zien in de zomer een verschrikking zal zijn, nu zijn er maar twee appartementen verhuurd. Het is er luxe en ruim. En weer vlakbij het strand. Maar we mogen er nog niet in. Ik maakte een ijsschaal om onze boodschappen in koud te houden tussen ons oude en nieuwe adres. De boodschappen mochten wel vast inchecken in de nieuwe koeling, de schaal kan mee naar het strand als bierkoeling.

Een ochtend aan zee, daar met zeewier poppetjes geknutseld, mooie rotsen met madurodam zeeën gezien. De hele wereld op schaal gemaakt.

We eten thuis nieuwe Spaanse aardappelen en spinazie, en een beetje oude manchego. Ik was alweer heel erg blij met de macht over mijn eigen eten. B krijgt er een stukje rog bij, vanochtend gevangen in de Cantabrische zee. De wijn van hotel costa Ajo blijkt nog lekker ook.

Er hangt een buurpoes tegen het raam, net zo lang tot we hem binnenlaten. Hij kan harder knorren dan wie ook. Aan onze muy tipico keukentafel zit ik onder een tl-balk ansichtkaarten te schrijven. Volgens mij hoor ik op de achtergrondel Atlantico die tegen de kliffen slaat.

Onze slaapkamer is zo te horen onder de huiskamer van Fred, zijn teevee staat ongegeneerd luid. Ik ben zo ontspannene dat ik er dwars doorheen in slaap val.

We rijden zonder ontbijt naar Bilbao, vanuit de parkeergarage komen we op een plein met funky nieuwbouw die eruitziet of het rijen verschillende oude geveltjes zijn, eentje zelfs met torentje, maar toch echt een gebouw, en nieuw, is. Koffie op een terras, een croissant met bestek erbij. Als ik hem in mijn hand neem begrijp ik waarom; de bovenkant is geglaceerd met mierzoete, plakkerige stroop. We wandelen richting Guggenheim. Een gebouw dat in het echt veel meer doet dan op de plaatjes, het futuristische uiterlijk ziet er ook heel Gaudí uit met lijnen die uit de natuurlijk komen. Vanbinnen zie je dat eigenlijk nog beter, het gebouw maakt meer indruk dan de moderne kunst die er hangt. Dat is tot we op de begane grond zijn, de lichtgevende letters die in een oneindige stroom van de vloer opstijgen om te verdwijnen in de vloer van 1 hoog maken indruk, net als de film uit twee perspectieven die tegelijk af worden gespeeld waardoor je in het midden staat van wat er gebeurt. En dan Serra, de gebogen stalen wanden zijn de reis meer dan waard. Het lijkt niet veel bijzonders maar elk object, ruimte, –hoe noem je zoiets?– heeft een totaal andere sfeer, de enen keer sta je in ene cirkel en voel je hoe klein je bent, de nader keer loop je door een gang die steeds van dimensie veranderd. Of het is er door de stand van het staal doodstil of juist echoënd. Je moet erbij geweest zijn vrees ik. In het Stedelijk is gelukkig ook weer zo’n ‘ding’ dus het kan dichterbij huis, maar hier staan er dus een heleboel. Als we aan het einde van de zaal zijn doen we ze achterstevoren nog een keer. We leren ook dat Bilbao de absolute hoofdstad van het ijzer is, dat verklaart al het mooie smeedwerk dat we steeds tegenkomen. En de ere plaats voor zulke reusachtige ijzeren kunstwerken.

We stappen een smalle tapasbar binnen die uit een andere, chiquere eeuw lijkt te komen, een bewerkte eikenhouten bar, oude mannen van het goed leven in mooie colberts, een wand vol beroemdheden. De tapas zijn er onwaarschijnlijk duur maar met een biertje in zo’n omgeving zijn we ook al blij. De barvrouw serveert er een plakje stokbrood met chorizo bij. Ze biedt de schaal wel 3 keer aan, maar dan heeft 

De stad is prachtig, en is dat al eeuwen lang. Als we de rivier oversteken blijkt er een nóg oudere stad te zijn, ook al zo rijk gedecoreerd. Met ineens weer een maf nieuwbouw gebouw. We lopen er per ongeluk binnen bij een prijswinnende tapasbar café Lago. B proeft 5 verschillende kunstwerkjes, ook het winnende ovenschaaltje met kabeljauw. Voor mij hebben ze ik tortilla met paprika, tostata tomaat.

Ook hier hebben ze die rare churros en chocolate, drie dikke toeristen stappen verongelijkt op als het geen churros tijd blijkt.

Aan het eind van de middag zijn we uitgetoerist en rijden naar Argaños waar we een appartementje hebben gehuurd. We worden ontvangen door een vriendelijke man met een kort grijs baardje. Hij ratelt in net iets te vloeiend Spaans en grinnikt om mijn blanco gezicht. Hij is Duits, getrouwd met een Spaanse en woont hier al meer dan 20 jaar,. sinds zijn pensioen het hele jaar. Hij stelt ons voor aan zijn twee hondjes die we al ontmoette in het kwartier dat we erover deden om zijn aandacht te trekken. Er wonen ook nog drie kippen waarvan we na de rondleiding merken dat die samen met de hondjes graag bij ons naar binnen wandelen. Fred legt ons uit waar de winkels zijn. Niet gedacht dat ik het ooit zou denken, laat staan schrijven, maar het was een opluchting in de supermarkt te zijn, De vrijheid om zelf te kiezen wat je eet en wanneer je dat doet, màn een zucht van verlichting. 

s’ Avonds meld zich een klein vrouwtje aan het raam, het is Lourdes, de vrouw des huizes. Wij gaan koken, eindelijk. Ik heb aubergine, sla, paddenstoelen, tomaten, uien, courgette én paprika ingeslagen.

Het hotel lig bijna bovenop de berg van San Sebastian en heeft een spectaculair uitzicht over de stad en baai. De ontbijtzaal is een belevenis, een zaal met loodzware donkere tafels en stoelen uit de Asterix.  Belèn, de charmante, zowaar alweer Engelssprekende, jonge eigenaresse van het hotel legt ons uit wat we op het buffet zien: twee soorten kaas, ham, fruitsalade, brood, van die dingen. Waar ze niets over zegt is de rij lege Beef Eater ginflessen die langs de gehele wand boven het buffet zijn uitgestald, de twee poppen in antiek Engels uniform, de diverse rode jasjes met gouden tressen die uit een Engels schilderij weggelopen lijken, de oude militaire hoeden en baretten, de theeblikken, de portretten van een jonge koningin Elisabeth, de correspondentie met the queen. De hele ruimte is een ode aan Engeland en haar in het bijzonder. Ik kan het niet laten en zoek Belèn om te vragen hoe dat zit, heeft haar vader soms gediend in her majesty’s army? Ze kijkt licht beschaamd en vertelt met haar o zo charmante Spaanse accent dat het een hobby van haar man is, ze weet niet precies waarom maar hij is gek op Engeland, had er graag geboren willen zijn en is gek op de koningin. Hij correspondeert ook met haar. Niet nu hoor, maar toen ze jonger was voelde hij zich zelfs tot haar aangetrokken, hoe zeg je dat, fysiek. Nu is het denk ik vooral een platonische lòb. –Dat heb ik nog nooit iemand gehoord, de Spaanse v =d zo diep in je systeem dat je ‘i lob you’ niet raar vindt klinken–.

Belèn raadt ons aan helemaal naar de top van de berg te gaan voor het aller, allermooiste uitzicht. Daarvoor moet je 2 euro entree betalen aan een pretpark voor kinderen, iets verlatens met plastic rotsen, een spookkasteel, een treintje en bootjes op een meertje vol algen. Maar het uitzicht is inderdaad spectaculair.

Na een enorme, iets te lange, bergetappe aangekomen in Leketio, aan de haven een rij restaurants. Ik zie het op de bar al aan de pinchos/pinxtos, als ze zelfs tussen de tortilla een plak spek hebben zitten. B vraagt het toch, de barman wijst aan: ‘ voor vegetarianas hebben we atun, atun y atun’. Geen spoor van ironie.

We gaan een restaurant verderop zitten. De dagschotel voor B: merluza (een flinke moot heek), friet, salade met atun en stukjes hardgekookt ei. Voor mij: idem, de vis is vervangen door 2 gebakken eieren, het wit loopt nog een beetje.

Zoeken naar een slaapplaats valt niet altijd mee als je per ongeluk steeds een pelgrimsroute volgt. Dan kom je ook vaak een herberg voor pelgrims tegen waar je vrijwillig op zaal slaapt met wildvreemden die snurken, scheten en zweten. En het al is het niet veel, maar daar betaal je dan ook nog voor, net als voor het pelgrims-bord geëxplodeerde bloedworst met friet. In een gevangenis heb je in elk geval nog privacy op nog een eindje door.

San Andres, ofwel etxebarria. Het aller, allersaaiste dorp dat we ooit gezien hebben. Als we uit de auto stappen ruikt die naar rubber, de motorkap is heet. Er lijkt niks onder vandaan te lekken, we laten het maar even.

Ons overmachtigsadres blijkt in een flat te zijn. Voor mij checken er twee Compostella gangsters in. De mevrouw van de verhuur lijkt op M van James Bond. Als ik haar vraag of we in het dorp iets kunnen eten of beter een dorp verderop kunnen gaan wijst ze uit het raam naar de overkant, een troosteloos terras. I’s dat goed?’. ‘Ja hoor, prima’.

Of we er gaan eten zien we dan wel weer, maar in deze kamer blijven is te erg. Op het terras is het zo saai dat we het internet erbij halen, zelfs dit volkomen nietszeggende dorp heeft een vermelding en foto’s, we gaan de attracties af: een fontein, 2 vuilnisbakken, een huis waar niet is ingebroken.

Restaurantfoto’s zijn er ook, zowel op een lichtbak in de zaak als op het net: een rvs schaal met bruine dingen in allerlei verschijningsvormen; bruine brei plus nat, 4 bruine dingen met friet en een klontje, heel natte bruine brei met fijne bolletjes wit schiftsel.

Boodschappen: een foto van twee breed lachende mannen met evenveel tand als iq. Tevens voor al uw daklozenopvang. Een vitrine-automaat etalage met plastic flessen melk en wasverzachter.

Apotheek: ‘Bar Sebastian’ (écht waar) alleen contant geld en ‘Babel’  (ook écht waar), ook zitplaatsen buiten.

We vinden verderop een iets minder troosteloos café, B neemt er met gevaar voor eigen leven een bocadillo met pollo. Goed de kip is gaar, maar het is ook al na achten dus hoelang die daar al op de bar staat? Ik eet in onze hotelkamer wat chips en een tomaat die we meebrachten. We gaan zoeken naar een appartementje of wat dan ook met een keuken, dit gaat niet langer.

Als ontbijt krijg ik een croissant; plaat geroosterd en gebutterflyd. Een bereidingswijze die een veganeusje eigenlijk nooit krijgt, butterflyen, ofwel opensnijden en het middendeel vast laten zitten zodat je de garnaal, vis, biefstuk open kunt klappen is niet iets dat je vaak ziet met een paprika. We maken bij het afrekenen een praatje met het meisje van de balie (niet de pornoactrice maar weer een andere leuke), het hotel gaat 30 september dicht voor de winter. Wat ze dan doet weet ze nog niet, er is buiten het toerisme niet veel werk in de regio. Eigenlijk voornamelijk boeren maar die kunnen zelf amper rondkomen. Een vriendelijke meneer komt naar ns toe en drukt B een fles in de hand en mij een waaier voor la señora. Wat lief, we zijn er allebei een beetje door ontroerd. Een cadeau van hotel costa Ajo. Dat het een toeristenwaaier is doet daar niets aan af.

We gaan op weg naar het volgende adres, tweeënhalf uur rijden is op de kaart zo gebeurd maar best ver als de route uit berglandschap bestaat. De weg is mooi, de tunnels als in een tekenfilm, ook de bergen bloody filmisch maar we vinden het lang duren. Reizen kost tijd. Ergens zijn is leuk, er komen minder.

Nog zonder dat we wat gezien hebben zie je aan alles dat San Sebastian (Donostia zeggen ze hier) mooi is. Een enorme sint op de berg sluit de baai af. Een ruime boulevard met palmbomen, rijke plantsoenen en gedecoreerde lantaarnpalen loopt vlak langs het strand. Witte bootjes, Nice-achtig maar dan groots en stads. Er zijn eigenlijk 3 baaien, elk met een heel eigen stukje stad erachter. 

In de pinxtos-straatjes is het moeilijk kiezen, sommige bars zijn eenvoudig te druk om een staanplaats te vinden, dat helpt met kiezen. Een beetje. We gaan naar binnen bij een kleine zaak met enorme bar met zeker 50 verschillende kleurige pinxtos, ‘wat aan het uiteinde staat moet nog bereid worden, dat kan wel 7 minuten duren, de rest kun je op je bord leggen en laten zien zodat we weten wat je af moet rekenen’. Voor mij zit erbij: avocadosalsa-achtigspul op een plak brood, tempura op een stokje en oesterzwam van de plancha. Dat wordt misschien wel de eerste keer in mijn leven dat ik van een Spanjaard iets van de plancha krijg. B: zure vis (als in ingelegd, niet rot) met paddenstoelen die licht gezuurd zijn (–en ik ook wel had gelust, waarom bedenken ze toch niet dat zoiets zonder de vis ook lekker is), een soort romige kaas omwikkeld met zalmen een stukje wild zwijn. Met twee witte wijn erbij 17€. Bij de volgende zaak mini boccadillo met een waanzinnig dik stuk tortilla (ondanks de lichte gangen hiervoor mij toch teveel) en een stokje kip.

Espadrilles gekocht bij een gewone, echte schoenenwinkel midden tussen de tapasbarren, pardon pinchos, pardon Basken; pinxtos.  Een heel smal zaakje, met twee slanke mensen voor de toonbank is het vol, tot aan het plafond gevuld met schappen vol schoenen, en espadrilles dus. In alle kleuren maar ook gewone, saaie. 11 € (in Valencia betaalde ik volgens mij 20 of meer). De mevrouw wijst ons de hoeden en pettenwinkel om de hoek. Midden in de pinxtoshemel zitten ook gewone winkels, de ijzerhandel, een pappeleria, de Spar buurtsuper.

We lopen langs de prachtige gebouwen met daarnaast malle nieuwbouw en gaan de brug over naar deel 3 van de baai. Ik denk niet dat ik ooit eerder op een brug heb gestaan waar de Atlantische oceaan onderdoor stroomt, uit het water steken basalt blokken van reuze formaat.

We lopen langs een rode loper en zien binnen een tonijn liggen zo groot als een flinke koe. Zonder poten dan. Twee stevige visboeren maken er een show van om het dier vakkundig in handzame delen te snijden. Het is een waanzinnig gezicht, zo’n machtig dier dat voor de lol van een paar liefhebbers in stukjes wordt gesneden. Hij heeft gele vlekken op zijn staartvin.

Op het terras om de hoek van el Atlantico loopt een meisje met steile zwarte bob en strakke, kunstige wenkbrauwen. Ik zie meteen een film nero voor me en dan moet ze nog aan tafel komen, ik kan niet anders dan met open mond haar bewegingen heen en weer over het terras volgen. Haar collega is minstens zo intrigerend, een Spaanse van een jaar of 20, aan de zijkant van haar hoofd een lange dikke staart, amandelvormige ogen die opvallend maar niet ordinair zijn opgemaakt. Een Manga-vrouwtje in Spaanse uitvoering.

De rest is voor morgen of een andere dag, nu zijn we rozig als toeristen die de hele dag gelopen hebben (niet serieus en doelbewust met wandelstokken en zo zoals de Santiagogangers die we overal regenkomen, maar slenterend zonder plan).

Niet zo veel beleefd, dat is ook eigenlijk het doel van vakantie. Toch? Ontspannen?

Het is hier heel pittoresk Zwitsers, met serieuze bergen, chalet-achtige huizen met rode geraniums en mensen die daar dapper tussen door wandelen als missie. Wij zijn naar de vuurtoren gelopen, een flinke klim. Halverwege waaiden er flarden wolk langs onze hoofden, het –alweer, prachtige uitzicht op strand, bergen met grazige wieden en steile kliffen werd steeds minder. De vuurtoren zelf was gesloten, de nevel inmiddels zo dicht dat we konden gaan zitten op een mistbank.

Om ergens thuis te zijn heb je een stamcafé nodig, ook al ben je er maar een dag. Gisteren hingen we heerlijk aan het raam van een bar; dat klinkt gek maar is in Spanje best normaal. Een café met aan een kant van de bar een raam dat helemaal open kan, zodat je op het terras aan de bar kunt staan. Vandaag herkent de barman ons meteen (nee, nee, we hebben ons gisteren niet liederlijk gedragen om een onuitwisbare indruk achter te laten). Omdat het zo gezellig is nemen we ook een patatas aan de bar. De rest van de kaart heeft oogjes, of is tortilla. 

De tortilla’s zijn in dit deel van Spanje niet van plakjes aardappel maar van fijne stukjes, ook zijn ze veel meer baveux (nattig, niet helemaal gaar dus). Misschien durven ze dat aan omdat het hier wat koeler is dan aan de andere kant van het land., maar zó veel kouder is het nou ook weer niet. Ik ben niet zo bang voor geheel gare gerechten die een dag buiten de koeling op de bar staan, maar heb bij sommige smeuïge exemplaren wel een béétje bedenkingen en de neiging ze niet helemaal op te eten.

Als we door de winkel lopen merk ik dat verlekkerd naar de groenten in pot sta te kijken. Het is dat we al bravas gegeten hebben maar ik zou zomaar een pot witte bonen kunnen eten (terwijl ik daar echt niets aan vindt) en bedenk dat ik dat misschien nog wel liever wil dan weer bravas of tortilla. B vindt het een goed idee.

Als we wijn drinken op het hotelterras zien we een volwassen, bijna bejaarde man en zijn vrouw churros en chococlateeten; een flinke schaal met de streep-oliebollen uit een spuitzak en allebei een soepkom vol chocovla om ze in te dopen Ik snap het verschijnsel als ontbijt desnoods, daarop kom je de dag wel door. Maar waarom het hotel ze (zo meldt een krijtbord bij de ingang) niet alleen van 9 tot 11 serveert maar ook tussen 17:30 en 19:30 is een raadsel. Het lijkt me een misselijkmakend borrelhapje en Spanjaarden hebben dan nog lang niet gegeten, dus een dessert kan het zeker niet zijn. Maar ook heel veel bars serveren ze ’s middags en ’s avonds dus ik begrijp duidelijk iets niet.

Een tafel verderop zit een zwijgend stel, allebei mooi in het pak, dure zonnebril en constant rokend. Ze kijken elkaar niet aan en hebben in het half uur dat ik naar ze keek niet één woord gewisseld. 

Als ik even naar boven ben geweest iets op te halen uit onze kamer is de sfeer veranderd. Het ongelukkige stel is vertrokken. De asbak is vol, de tafel leeg.

De vanmiddag gekochte tuinbonen spoel ik in hun eigen pot schoon tot het water helder is. Op bed, het enige grote oppervlak in een hotelkamer, leg ik een placemat die als aanrecht moet dienen. Het hardplastic bakje waar de sla in verkocht werd, wordt nu schaal. Ik haal de blaadjes little gem los en bedek de bodem met de grootste. De rest scheur ik in stukjes die in de ‘kommen’ slablad gaan, daar gaan de bonen overheen, en in mijn hand tot blokjes gesneden tomaat, een kneepje citroensap, olijfolie uit een cupje van het ontbijt, wat verkruimelde cracker bij wijze van crouton. Schilfers oude manchego. De zo gevulde blaadjes van onderaf beetpakken maakt ze tot eetbaar bord, en het groenste, lekkerste maal dat ik in dagen at.

Na het ontbijt naar costa de Ajo waar we een heerlijk oubollig hotel met een grote blauwe H op het dak hebben. Het knappe Engels-sprekende baliemeisje (het type dat in een softpornofilm in een soepele beweging haar bril afwerpt en haar los gooit voor ze aan haar kleding begint) vindt ons wat vroeg, dat klopt, het is kwart over 11. We gaan een eindje wandelen, de vuurtoren is vandaag open zegt ze nog. Het paadje dat wij kozen blijkt dood te lopen, wel met een adembenemend uitzicht (ja, alweer. Maar dat is echt het woord) op de baai. De rotsen naar zee zijn hier wat minder steil, de kliffen iets verderop des te heftiger. De hotelkamer blijkt een terras te hebben met daarop die enorme blauwe H, c’est cool!

Het idee is lunch te verdienen met een wandeling. En vast wat brood en kaas halen zodat we vanavond niet wéér op zoek hoeven naar een vorm van aardappel en ei en meer moeten eten dan we willen. De tocht naar het dorp is een ruim halfuur bergopwaarts zonder schaduw. Het is half een ’s middags. In het dorp uiteraard overal dezelfde kaart en een resto met dat, plus heel dure componenten zodat een menu 72 euro kan kosten. Ik weet niet wàt er in die paella zit maar laat maar. Ik ben allang blij als ik brood of patatas vind. B wil, tegen oude afspraken in, –die we maakten door herhaaldelijk schade en schande en in blinde honger langs restos lopen, tóch door zoeken naar iets lekkers voor mij. Dit is Spanje, ik heb eergisteren zowaar een heus gerecht zonder dier gevonden, de kans dat dat mirakel zich nog eens voltrekt is daarmee gereduceerd tot -1. Hij aast op eten bij ons hotel omdat we dan veilig zijn (ik weet allang wat daar op de kaart staat. Heel veilig inderdaad: A van alles met vlees tot Zonder dier zoek je het maar uit). Het wordt el Pescador, net voorbij het hotel. Het is er heel druk, we zien toch twee kleine lege tafeltjes en staan braaf te wachten als een bijdehandte familie een ervan bezet. Als we het andere tafeltje toegewezen hebben gekregen duurt het best lang. Ik ga bier halen bij de bar en mag de kaart mee. Als ik ga bestellen neem ik voor de zekerheid de wijn maar mee naar tafel. Na een tijd komt het meisje dat een beetje Indiaans lijkt ons een tafelkleed brengen. Verder niks. Als de fles wijn meer dan half leeg is, ga ik toch maar vragen of het wel goed is gegaan met de bestelling, ‘ja hoor, komt goed’. Na een tijdje komt een ander vragen of we ergens op wachten. Enfin, twee uur nadat we zijn gaan zitten komt de salade vegetal, het is gelukt om de tonijn er niet op te doen. Olé! En een bord manchego, zo letterlijk als het klinkt, en het gerecht waarom we hier zijn gaan zitten: gemengde warme en koude gerechten. Het blijkt te bestaan uit een paar reepjes inktvis (of is het kip? witvlees in elk geval) 2 bitterballen (koe? kip?) en heel, heel veel worst en ham. Bij restaurant el Pescador! Waar de oceaan nog net niet op je bord spat! Als de borden bijna leeg en we niet geheel gelukkig, maar wel vol zijn komt ook nog de bocadillo tortilla. De tortilla is een Franscesa, ofwel een omelet. Oké. Maar er zit een dikke plak ham in. Geheel tegen mijn hart en gewoonte breng ik hem terug. ‘O sorry, ja, dat had je gezegd, geen vlees en vis, maar we hebben nu alleen nog tortilla met chorizo of tonijn’. Laat maar hoor, ik ben goed zo. Na een minuut of 10 komt er alsnog een tortilla solo.

’s Avonds op ons H hotelterras met brood en tomaat, handje chips erbij. Het beste maal van de dag.

De ontbijtzaal ligt in een decor van zwaar, donkerbruin hout dat je een paar decennia terugvoert in de tijd. De strenge meneer eist ons kamernummer voor hij over koffie wil praten. Hij is verbaasd als we ‘café con leche?’ beantwoorden met ‘café sin leche’. Met por favor natuurlijk.

Het hotel maakte dat ik pan magica de Harry (dat wonderbrood dat jaren goed blijft, net als de nasmaak die je ervan krijgt) verwachte, het ontbijt blijkt keurige stukken stokbrood, gekookte ham, hotelblok van geitenkaas, stukken suikermeloen – de lekkerste die ik ooit at, watermeloen, appel of sinaasappel om mee te jatten, muesli, pakjes abrikozenjam en boter. De mevrouw met het haar geblondeerd zoals alleen een Spaanse dat kan werpt ons en de gasten die na ons binnenkomen glazen toe en schenkt er jus in terwijl ze denkt aan heel andere dingen. Er komt ook nog een bord met een sneetje toast. Van echt brood, niet van Harry.

We gaan naar Santa Justa, de belevenissen van de dag zijn niet echt belevenissen maar de weg erheen is adembenemend mooi. Zwitserse bergweiden met chalets in Spaanse kleuren, koeien in soorten en maten; met grote krullerige hoorns en zilverzwarte vacht. En koebellen. Zwitsers dus. Santa Justa is een baai met eromheen kliffen die me aan die film met Elvis doen denken. Heel steil, bloedgevaarlijk en heel aantrekkelijk. Er loopt een smal geiten(koeien?)paadje dat we beklimmen, ik steun af en toe op mijn handen waardoor ik eruit zie als een bespottelijke berggeit in blauw bloemenrokje. Aan de zijkant van de baai is in de rots lang geleden een huis gebouwd. Er staan zonnepanelen op het dak. Uit de rotswanden groeien plantjes die het midden houden tussen rucola, postelein en zeekraal, ze zien er lekker uit en zijn dat ook. Kruidig, citroening en zilt. Ik post een foto maar de natwoorden lijken me onzinning, zeevenkel is het zeker niet, Ik neem wat zaadjes mee, ze zijn nog net niet rijp maar wie weet. Ik zal later aan Vreeken vragen of hij het kent.

We lunchen in Suances, eerst een bier bij een zaak die ‘goed is aangepakt’ met veel zwart horecaconcept en dus juist heel  anti-hip. Bij het bier komt een plakje brood met chorizo. Het sympathieke resto waar we wel gaan eten heeft een grote kaart waarop voor mij maar liefst 2 salades te vinden zijn waar het vlees vanaf zou kunnen. Verder is er 1 pizza. Ik hoop huisgemaakt. Dat lijkt me bij proeven sterk, zelfs de champignons zijn uit blik, het deeg is zoet, bijna zo knapperig als een koekje. Heel veel mozzarella, dus vol ben ik wel.

Dan naar playa los Locos, daar gaat het meisje van de bediening ook heen. Of naar Santa Justa maar daar waren we al. Ook los Locos ligt in een baai, de enige strandtent ligt halverwege de afdaling naar het strand en is wel open. De baren zijn woest, de in het zand geplante rode vlag wappert. Pootje baaien durf ik wel, de stroming trekt aan mijn kuiten

Al sinds we hier gisteren aankwamen wordt B geroepen door Hotel Santillana op de hoek, z;efs het bord Hamburgesia vindt hij sympathiek geschilderd. Bij het bier komt een pincho tortilla en olijven in olie met pimentón. De kaart is heel onaantrekkelijk. De vriendelijke Spaanse Chinese brengt een kaart met zelfs voor B niks leuks, hij hoeft niet veel te eten maar dit niet. Toch maar het dorp in, daar klinkt harde rock: 2 oude lullen en 2 jonkies staan veel te zwaar versterkt op het middeleeuwse dorpsplein. We kijken even naar de kaart van de restaurants, maar gaan aan dat plein in elk geval niet eten. Niks lonkt, de muziek dreunt. Het resto waar drie keer achter elkaar mensen naar binnen gaan nadat ze de kaart lazen ziet er wat chique uit voor mensen zoal wij die niet uitgebreid meer hoeven eten, maar de kaart biedt een groentegerecht. Ik hoef niet veel, maar wel wat groen. We mogen een menu delen: hij voor, ik hoofd. 3 rode puntpaprikaatjes gevuld met tofu (denk ik, het is wit, iets korrelig en smaakt niet echt ergens naar) in romige, gladde paddenstoelensaus die een maaltijd op zich mag heten. Zijn voorgerecht ‘lokale specialiteiten’ blijkt een enorm bord met hammen, worsten en nog zo wat. Charcuterie voor minstens drie, als je de plakjes op zou stapelen zou het een flinke rib eye zijn. Gelukkig had hij geen honger.