Atlantische kust – donderdag 12 september

De slaappil heeft goed gewerkt, ik heb een paar keer iets met een kraan gehoord maar daar verder niets van gedacht en ben weer teruggekeerd naar mijn droomloze slaap. Het eerste waarop ik bewust reageerde was de vraag of we twee of drie dagen in Santillana zouden boeken. Geen idee, ligt dat in de bergen, aan zee, is er wat cultuur? Ik zou graag ook Bilbao zien, een keer door de bergen lopen en misschien San Sebastian. ‘O dus alles dat ik doe is niet goed. Ik ben al uren van alles aan het uitzoeken, stel voor om naar Santillana del Mar’ –ah, aan zee dus, ‘te gaan en jij hebt overal commentaar op.’ Nee hoor, ik heb alleen geen idee waar je het over hebt, weet niet waar dat ligt en of je dan juist bij de bergen vandaan gaat of niet, ik ben nog niet eens wakker.

We ontbijten aan de overkant, de grote schermen met Latino hip hop staan op volle toeren. Voor de prijs van 1 koffie in Amsterdam krijgen we een verse jus, croissant of tostato en koffie. Met melk, o ja het is ontbijt, liever zwart hadden we expliciet moeten zeggen. Het blijkt met al die melk een vullend ontbijt. In het appartement maken we nog een beetje ruzie over de rest van de dag en laden dan onze koffers in de rode auto. We rijden naar het centrum van de stad, of in elk geval de rand daarvan, en parkeren bij het conservatorio Jesús de Monasterio. De onrust waarmee we instapten is wat weggeëbd en we gaan een stukje lopen, waarschijnlijk richting het echte centrum, in elk geval naar mooie uitzichten. Vanaf de hooggelegen straat zien we dat we staan op wat me een schiereiland lijkt; links en rechts water, een baai en aan de andere kant de Atlantische oceaan. Ertussen eeuwenoude gebouwen met smeedijzeren sierhekken en tralies, houtsnijwerk op alle stukken hout die in het zicht zijn, flats zoals ze die in Spanje zo goed kunnen maken; met goedkoop beton dat in felle kleuren beschilderd wordt, her en der zijn verf, of stukken muur, afgebladerd. Wapperende was en veel geel rode vlaggen hangend uit het raam, daarnaast een krullerig gebouw dat de inquisitie nog heeft meegemaakt.

Op het hoogste punt is een uitkijktoren gebouwd, vanaf daar kun je nog beter zien hoe steil een stad met aan weerskanten water is. Om het beloopbaar te houden zijn er tussen de gebouwen geen straten maar trappen. Zo steil dat de stalen leuning in het midden geen overbodige luxe is. Beneden liggen prachtige zeilschepen, maat bootje van Christoffel Columbus, deze vloot ligt er ter ere van het maritieme festival dat gisteren begonnen is. Als we aan het eind van de kade zijn aangeland wordt het wel zo’n beetje tijd om iets te gebruiken, er zijn zoveel authentieke bars, bodega’s, cafés en restaurants dat kiezen een iene miene mutte kwestie is. Het aanbod is zo’n beetje gelijk, overal hebben ze wel een vorm van tortilla, broodje, tapas of pinchos en de verraderlijke salada vegetal waarvan ik weet dat er tonijn op zit. Vis is immers geen dier, dús vegetal. Het wordt een bar met verschillende tortillas in de vitrine en een kaart. De tortilla komt snel, de tostatas van de kaart duren zo lang dat we, –B, toch maar vragen of het goed komt. ‘Ja, hoor, komen eraan’. Toch nog 10 minuten later krijgen we allebei een nogal geroosterde boterham, B met de gevraagde ham en tomaat, ik met blauwe kaas en ongevraagde ansjovis. De bovenste van de lijst, ik bestelde de onderste. B gaat met mijn bord naar de keuken. Binnen een minuut is mijn eigen boterham weer terug, –in zo’n korte tijd zou je een boterham niet zo zwart kunnen bakken, al zou je het willen, de filetjes zijn eraf gevist en vervangen door membrillo. Die achtergebleven visolie zal wel goed voor me zijn. 

Als we weer op pad gaan mikken we op een eeuwenoude bibliotheek die zo’n beetje op weg naar de auto staat. De cafés en terrassen worden steeds voller, B vindt het maar raar dat wij op weg zijn naar een oud gebouw en ‘zij’ nu pas gaan beginnen. We mogen Portie-gewijs zeker nog een keer ergens zitten maar zijn nu precies op een toegestaan alcoholpercentage. We slingeren nog wat heen en weer tussen wel zitten met één drankje of meteen naar de bestemming van vandaag rijden, dat is maar 25 minuten, qua tijd zou alles dan nog open moeten zijn ‘maar je weet net zo goed als ik dat op een gegeven moment toch alles dichtgaat’. Ik denk dat het zo’n vaart niet zal lopen, dit is Spanje, en dat er in een pelgrimsoord altijd wel wat te eten zal zijn. Het wordt net geen welles-niets, daar zijn we ondanks alles te beschaafd voor. We rijden naar Santillana del Mar waar alles open is én blijft. Het hotel is keurig, goed verzorgd en sinds eind jaren 60 niet meer veranderd. Grof gestucte muren, dikke, zware grenen deuren en meubelen, een bed van krap 120 breed met gestoffeerd kopbord. Of hoe zo’n hoofdeinde tegen de muur ook mag heten.

Maar nu eerst verder met eten. We kiezen op een historisch plein waar aan alle kanten middeleeuwse straatjes op uitkomen een plek onder mooie stenen bogen. Een constant stroompje van mensen met loopstokken die de schuine straatjes op-ploeteren trekt voorbij, dat vindt god zeker extra goed. We krijgen een bordje met géwéldige patatas ajo, zo lang en kort als friet maar dan in dunne plakjes gesneden, de knoflooksaus precies dun genoeg. In één hap in Spanje. Ik krijg een groot bord met seizoensgroenten; plakken aubergine en courgette, 1 plak reuze tomaat, de bovenkant van een lekker zurige appel, 1 groene asperge, een handvol oesterzwammen, 3 op een goede manier bonkige stukken aardappel. Alles geroosterd en met een subtiel vleugje pimentón; het is nèt rokerig maar niet overdreven. B valt er enthousiast op aan, als ik zeg dat we nog een bordje patatas moeten vragen wil hij misschien eerst afwachten hoeveel gamba’s hij krijgt. Gewoon 5 of 6 denk ik. Het blijken er minstens 25.

Maar die patatas hebben we nou lekker toch. Ik krijg ze wel op.

We klimmen een geitenpaadje op en blijken letterlijk de Santiagoroute te lopen. Een klein stukje dan, het is nog 534 kilometer tot daar.

Atlantische kust – woensdag 11 september

‘s Avonds om half negen landen we op Santander, na een paar keer het parkeerterrein van het vliegveld uitkammen vinden het busje dat ons naar de autoverhuur brengt. Voor de eerste nacht hebben we een adres op 20 minuten van het vliegveld. We vinden de straat, maar niet het huisnummer. Na volkomen zinloze Spaanse apps met de verhuurster en een ruim half uur rondjes om het blok te rijden, blijkt de straat om de hoek doorgenummerd te worden. Nou ja, we hebben een plekje. Dat we meteen weer verlaten om de buurt te verkennen en wat te gaan eten. We stappen een heel Spaans café binnen, fel licht, witte formica tafels, een bar met een paar tortilla’s erop. We bestellen een stuk voor bij het bier. Hij is een beetje nattig, we laten we het er maar bij, het is al te laat om nog meer eten te gaan zoeken. Niet voor Spaanse begrippen, wel voor de mijne; eten vlak voor middernacht valt zo zwaar. Morgen is het vakantie, daar wou ik graag een beetje uitgerust aan beginnen.